Legende over Nusalaut. - kumpulan-akoon-pat.nl

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Legende over Nusalaut.

Akoon vroeger > 2 Ontstaanslegendes

Het verhaal over het Eiland Nusalaut.
Er zijn een aantal wonderbaarlijke gebeurtenissen voorafgegaan aan het ontstaan van het eiland Nusalaut en haar bewoners.
Het gaat over gebeurtenissen en beproevingen die er uiteindelijk toe geleid hebben dat er zeven protestante dorpen zijn ontstaan, aangeduid met de naam Pulau Emas.
Door deze gebeurtenissen moeten wij erkennen en geloven dat het ontstaan van Nusalaut Gods wil is.
In de Bijbel wordt immers aangehaald dat er in Azië zeven Christelijke vestigingen/gemeenschappen zullen ontspruiten, die anders zijn dan de andere eilanden op de Molukken.

De ontstaansgeschiedenis van Nusahulawano.
Nusahulawano is losgeraakt en weggedreven van het moedereiland Seram (Nusa Ina) daarom wordt ook wel het “drijvende eiland” wordt genoemd.
Het eiland dreef weg in de richting van het eiland Saparua.
Uiteindelijk botste het tegen de berg Booi aan, waar een deel van het eiland afbrak.
Dit afgebroken stukje land wordt Molan genoemd.

Het andere deel is door de stroming een stukje naar buiten gedreven, maar ook hier is weer een deel van het eiland afgebroken, dicht bij de negeri Booi.
Dit deel wordt Pulau Pombo Booi genoemd.

De rest van het stukje land is verder weggedreven, naar de locatie waar het zich nu bevindt.
Daar wordt het vastgehouden door een grote zeerots in bahasa tanah, de oude volkstaal, ook wel “rupu ruanya” genoemd.
Vrij vertaald betekent het “de rots die alles wat drijft vasthoudt”.

In die tijd was het eiland nog niet bevolkt.
Niet lang daarna kwamen er drie mensen op het eiland.
Een van de drie werd de kepala radja of koning.
De andere twee werden knechten, onderdanen, hulpjes van de koning.
Deze drie mensen wisten niet van elkaar of zij familie waren of alleen maar vrienden.

In de loop van de tijd gingen steeds meer mensen het eiland bevolken, zodat er sprake was van een volwaardig koninkrijk met een eigen regering of bestuur.
Het was nog niet zo georganiseerd als nu, met een Kepala Soa (hoofd van een stamgemeenschap) en een Marinyo (boodschapper, koerier)
Het vorstenrijk bestond toen nog uit een:
• Kapitang
• Kapitano
• 1e Malesi (gevechtsleider)
• 2e Malesi
• 1e Mauweng (priester)
• 2e Maweng.
De Badan pemerintah (regering) volgde de bevelen op van de Mauweng, omdat de Mauweng verantwoordelijk was voor het welzijn van iedereen.
Als de Mauweng bijvoorbeeld het bevel gaf dat vandaag niemand weg of naar buiten mocht gaan dan mocht er ook niemand weg of naar buiten gaan.
Wie het bevel negeerde kon een ongeluk krijgen of zelfs doodgaan.
De Mauweng was namelijk een mawe (waarzegger), iemand die alles wist en alles kon doorgronden.
Iedereen onderwierp zich dan ook aan de Mauweng.

De Badan pemerintah had haar zitting boven op de berg Lawakano.
Deze ligt boven het dorp Ameth.
In die tijd moest iedere nieuwkomer zich bij de Badan pemerintah boven op de berg melden.
Wie zich hier niet aan hield moest dit met de dood bekopen.
Elke dag kwamen er weer nieuwe mensen aan. Langzamerhand werden het er heel veel.

Op een dag vaardigde de Pemerintah het bevel uit dat een aantal mensen iedere dag naar de kuststreek bij het strand moest gaan om te kijken of er nieuwe mensen waren die zich wilden komen vestigen op het eiland.
Er moest op verkenning gegaan worden om te kijken of er vijanden waren.
Aan nieuwkomers werd gevraagd of zij wilden samenwerken of niet.
De mensen die wilden samenwerken werden boven op de berg gebracht om voor de Badan pemerintah te verschijnen.
Zij die weigerden om samen te werken werden zonder vorm van proces gedood.
Natuurlijk waren er mensen bij die probeerden te vluchten.
Zij keerden meestal zwaargewond naar hun eigen kampong terug.

Toen op een keer een zwaargewonde terugkeerde naar zijn kampong werd hij door zijn vrienden ondervraagd.
”Waar heb jij je verwondingen opgelopen?”
De zwaargewonde man antwoordde: “Ik heb mijn verwondingen op Nusa, op dat eiland opgelopen.
Dit werd dan ook de tweede naam van het eiland.
De vrienden van de zwaargewonde man werden woest.
Zij namen de situatie hoog op omdat hun vriend zwaargewond was geraakt.

En zo gebeurde het dat de vrienden van de zwaargewonde man op een dag een plan maakten om het eiland Nusa aan te vallen.
Velen van hen waren echter bang want volgens de informatie van de zwaargewonde man was de pukulan (slagkracht, tegenstand, stootkracht, tovenarij) zeer heftig en Nusa zou dus moeilijk te verslaan zijn.
Zij wilden hoe dan ook het eiland Nusa aanvallen, maar velen moesten dit met de dood bekopen.
Veel krijgsgevangen smeekten om toch maar te mogen samenwerken.

De kapitan was verheugd toen later nog meer mensen het eiland kwamen bevolken.
Elke keer als de mensen naar de kust gingen om te vechten, zei de Kapitan met luide stem: ” HULALA ULAHANO, in het bahasa tanah betekent dit:“ Vrees niet”.
Zij die de aanmoediging van de Kapitan aanhoorden, werden hierdoor verder aangespoord.
De derde naam van het eiland is dan ook NUSAHULAWANNO en dit is afgeleid van deze aansporing van de Kapitan.
(commentaar webredactie: deze vertaling is hoogst waarschijnlijk foutief, omdat in de bahasa tanah van Seram, waar de eerste bewoners van Nusalaut vermoedelijk vandaan kwamen, hulawano goud betekent.
Nusahulawano betekent dus gouden land of goudland)


Boven op de berg Lawakano is een plek genaamd Ola Hahani.
Dit is een plaats waar men de tijd nam om te eten nadat men oorlog had gevoerd aan de kust.
Deze plaats heet dan ook “de plek om te eten na de oorlog op het strand”.
Het eiland raakte steeds meer en meer bevolkt. Dit zette de koning aan het denken.
“Als wij allemaal op één plek blijven is dit te vermoeiend en niet effectief.
Het is beter dat we de bevolking in drieën verdelen.
Er moet een deel naar Ameth, een deel naar Nalahia en een deel naar Titawai”.

Toen men op de plek van bestemming was aangekomen, werd in iedere nederzetting een eigen bestuur ingesteld bestaande uit personen die gekozen of aangewezen werden.
Van de drie eerste bewoners bleef er één in Ameth, één in Nalahia en de andere in Titawai.
Van de overgeblevenen ging er een gedeelte naar Akoön, Abubu en Leinitu.
Toen iedereen aangekomen was op de plaats van bestemming, werden de diverse bestuursorganen geïnstalleerd zoals men dat in die tijd gewoon was te doen:
• Kapitang
• Kapitano
• 1e Malesi
• 2e Melesi
• 1e Maweng
• 2e Maweng
Ook werden verschillende wachtposten georganiseerd om het gehele kustgebied te bewaken.

De strijd tegen Kapitan Matarua en Kapitan Mata Ampat
Op een dag kwamen er twee strijders uit Seram aan.
Zij waren van de Pata-siwa en Pata-lima.
Zij kwamen wraak nemen vanwege het feit dat veel van hun mensen gedood of gevangen genomen waren.
Zij beraamden een plan hoe zij Nusahulawano konden aanvallen.
Deze twee mensen waren Kapitans. De één was Kapitan Matarua en de ander Kapitan Mata Ampat.
De twee Kapitans staken vanuit Seram over naar Saparua.
In Saparua aangekomen beval Mata Ampat aan Matarua om naar Nusahulawano over te steken.
Mata Ampat bleef om vanuit Saparua aan te vallen.

Toen Kapitan Matarua in Nusahulawano aankwam voelde hij dat zijn krachten en energie afgenomen waren.
Hij kon de strijd niet meer aangaan tegen de strijders van Nusahulawano.
Hij gaf zich over en verzocht om samen te mogen werken.
Toen hij zich overgaf, moest hij boven op de berg voor de pemerintah (het gezag) verschijnen.

Mata Ampat bleef in Saparua om de aanvallen voort te zetten.
Er was niemand die hem tegenstand kon bieden.
Vanuit Saparua zette hij zijn aanval voort naar Hatawano.
De gevechtshandelingen vonden plaats op een plek tussen de dorpen Noloth en Itawaka.
Vroeger heette het Air Potong, nu wordt het “potang potang” genoemd.
Nadat hij heel veel mensen had gedood zette hij zijn opmars voort naar Nusahulawano.
Niet lang daarna kwam hij aan in Nusahulawano bij een plek genaamd Waihutete, gelegen tussen de dorpen Ameth en Nalahia.

Daar aangekomen begon hij dorst te krijgen. Hij zag een klein kuiltje op een “batu papan”(een rots in de vorm van een bord).
Maar het water in het kuiltje was zoutig.
Woedend stak hij zijn speer in het kuiltje in de richting van de berg.
Niet lang daarna kwam er een straal zoet water uit het kuiltje. Hij begon hiervan te drinken.
De kuil met water bestaat nog steeds. Het water is zeer koel en te vergelijken met ijswater.
Na zijn dorst gelest te hebben voelde hij zich vermoeid van de gevechten die hij geleverd had in Saparua en omgeving.

Toen Kapitan Mata Ampat in Nusalaut aankwam, bleek dat zijn kameraad Matarua zich al had overgegeven.
Nusalaut werd toen “Pulau yang ke ampat “ genoemd of het 4e eiland.
Kapitan Mata Ampat ging het oerwoud in om bij te komen.
In het oerwoud kwam hij een wachtpost van Nusalaut tegen en er volgde een gevecht.
De tegenstand van de patrouille uit Nusalaut was zo heftig dat hij moest vluchten en zich moest verschuilen in het oerwoud. ’
s Avonds sliep hij aan zee en hij bedekte zich dan met daun kakoya, een blad om tikars (tikar = mat) mee te maken.

Op een dag legde de patrouille uit Nusalaut een hinderlaag voor hem.
Toen zij hem dachten te zien begonnen zij op hem in te steken.
Maar het bleek dat hij al verdwenen was.
Alleen de daun kakoya die zijn lichaam bedekte bleef over.
Blijkbaar wist hij dat zij een val voor hem hadden opgezet.
Het kakoya blad, dat in stukken werd gesneden, veranderde in steen.
Tot op vandaag is dit een gedenkteken voor het nageslacht, het geeft aan hoe heftig onze voorouders zich verzet hebben om onze waarden en normen vast te houden,
als strijders die door niets en niemand tegengehouden kunnen worden.
Vanuit Ameth naar Nalahia is een snijteken of inkeping van het kakoya blad bij Waihutete te zien niet ver van de plek waar Mata Ampat zijn speer in de kuil had gestoken.

Kapitan Mata Ampat werd steeds maar weer achtervolgd van Ameth tot Akoön.
Toen lagen de andere negorijen nog boven in de bergen.
Dag in dag uit werd er maar tegen één persoon gevochten namelijk tegen kapitan Mata Ampat.
Er was ook niemand die het tegen hem durfde op te nemen.
Zijn Kameraad Matarua had zich ondertussen al overgegeven.
Hij bleef dus als enige over en de vijandelijke patrouille bevocht hem dan ook elke dag.
Kapitan Mata Ampat werd overal achtervolgd.
Hij sprong over hoge rotsen van 4 á 5 meter hoog.
Nu nog zijn voet- en knieafdrukken te zien bij de Medja Bundar (ronde tafel rots) gelegen aan zee onder Amahahani.
De Ronde Tafel Rots is zo genoemd omdat deze vroeger een verzamelplaats was van onze voorouders.
Hier werd gegeten maar hier werden ook de aanvalsplannen bedacht.
Op deze rots mocht men dinsdags en vrijdags niet lopen, omdat dan de geesten vanuit het voorouderrijk daar neerdaalden.

Voor het nageslacht van Nusalaut en in het bijzonder de kinderen (en kleinkinderen) van Akoön is het vervolgens belangrijk om te weten dat niet veel later iemand anders in Nusalaut aankwam.
Zijn krachten en wijsheid waren zeer groot.
Hij was zo listig dat hij in staat was om Kapitan Mata Ampat gevangen te nemen en te doden.
Deze persoon kwam uit Manipa. De beide ouders waren al overleden.
Zij lieten vier zonen na. De oudste van de vier zonen vervulde de rol van vader en moeder.

Toen de jongste drie zonen volwassen werden wilden zij niet meer naar de oudste zoon luisteren.
Op een dag maakten zij plannen om hun geboortedorp en hun oudste broer te verlaten om voor zichzelf te kunnen zorgen.
Toen op een dag de zon haar zonnestralen verborg, voerden de drie jongste zonen hun plannen uit.
Zij namen een prauw en voeren weg, ze lieten hun geboortedorp achter zich, op weg naar een nieuw bestaan.

Tijdens hun tocht over het water werden zij zowel overdag als ’s nachts omgeven door duisternis.
Alleen het gehuil van de wind en het slaan van de golven was te horen.
Niet lang daarna sloeg de prauw van de drie broers om bij de kaap van Sial/Sole want daar waren immers grote draaikolken.
Hun prauw werd door de draaikolk meegenomen.
De drie broers werden van elkaar gescheiden. Gedwongen moest ieder voor zich zijn eigen heil zoeken.

De gebeurtenis over deze drie broers is eigenlijk een wonderbaarlijke gebeurtenis.
In die tijd was het vanaf een afstand bekeken bijna onmogelijk om een dergelijk ongeluk te overleven,
omdat er geen eilanden in de buurt van de kaap waren.
En toch was het hen gelukt om op verschillende plekken veilig en wel terecht te komen.
Misschien doordat zij zich in een “ikan lasi” (soort vis) of “kan kes” konden veranderen en zo konden overleven.
Maar dit alles heeft zo moeten lopen. Zonder hulp van wie dan ook konden zij toch aan land komen.

De drie broers, door het ongeluk gescheiden, werden in drie richtingen verspreid.
De één kreeg een “daun pal” (soort blad) en daarmee dreef hij naar het dorp Ihamahu in Saparua.
De ander kreeg een “daun leri” en daarmee dreef hij naar Aboru in Haruku.
De derde zoon had alle hoop om te overleven opgegeven.
Plotseling zag hij een krokodil naast zich zwemmen.
Hij vroeg aan de krokodil of hij mee mocht op zijn rug.
De krokodil bracht hem naar Nusalaut naar het dorp Tounusa Hatalepu of Akoön.
Daar aangekomen bond hij de krokodil vast bij een plek genaamd Sosolohuael.
Deze plek is sindsdien in een moeras veranderd.

Toen hij de krokodil had vastgebonden, hoorde hij in de verte een haan kraaien omdat het ochtend was geworden.
Ondertussen begon hij ook honger te krijgen want hij had immers twee dagen niet gegeten en gedronken.
Wat hij niet wist was dat de plek waar hij neerstreek, geen dorp was maar een wachtpost van de patrouille uit Tounusa.
Even later werd hij omringd, aangehouden en ondervraagd door de patrouille.
Een gedeelte van de patrouille wilde hem vermoorden maar een ander deel vond het beter om hem naar de radja te brengen.
Hij leek immers een goed mens. De radja moest maar beslissen wat er met hem moest gebeuren.

Toen de radja het bericht hoorde, beval de radja dat hij boven naar de berg gebracht moest worden om voor de radja en de mauweng te verschijnen.
Uit het onderzoek van de radja en de mauweng bleek dat de man onschuldig en goed van aard was.
Hij werd vrijgelaten maar moest elke dag als slaaf werken.
Ondanks het feit dat hij dagelijks werkzaam was in het huis van de radja, was hij steeds bang om vermoord te worden.
Dagelijks hoorde hij ook de verhalen aan dat men elke dag bezig was met het bevechten van één en dezelfde persoon.
Hij dacht bij zichzelf hoe het mogelijk was dat slechts één persoon niet te verslaan was terwijl Nusalaut toch over veel goede krijgers beschikte.

Op een dag toen de weersomstandigheden redelijk goed waren vroeg hij toestemming van de radja om met die ene man te mogen vechten.
De Radja antwoordde: “Als jij met die man, kapitan Mata Ampat wilt vechten, zal ik je niet dwingen maar het je ook niet verbieden.
Want hij is zo sterk en niemand is ooit in staat geweest om hem te verslaan.
Maar als je echt met hem wilt vechten, dan moet je het zelf weten”.
De man antwoordde: “Morgen ga ik naar hem toe om met hem te vechten”.

De volgende dag voordat de haan kraaide ging de man op pad en toen de zon op de top van Tounusa scheen,
kwam hij zijn vijand, kapitan Mata Ampat tegen.
Gelijk begonnen ze tegen elkaar te vechten.
Het gevecht kende geen verliezer maar ook geen winnaar. Beiden besloten te pauzeren.
Zij aten sirih pinang met de punt van hun kapmes en daarna hervatten ze het gevecht tot de avond.
(Sirih is een blad van de betelplant, van het blad wordt de Sirihpruim gemaakt.
Pinang is een vrucht, een noot van de arecapalm) Beiden bleken even sterk te zijn.

Toen het avond werd keerde de man terug naar het huis van de radja.
De radja dacht dat zijn slaaf gedood was door kapitan Mata Ampat, omdat deze zeer sterk was en door niemand te verslaan was  maar niet lang daarna kwam de man thuis.
De radja vroeg aan hem hoe het gevecht verlopen was.
De man zei dat zij vanaf zonsopgang tot zonsondergang tegen elkaar gevochten hadden.
Er was geen winnaar maar ook geen verliezer en geen van beiden was gewond geraakt.

De radja zei tegen zijn slaaf: “ Vanaf nu word je mijn pleegkind, waar ik ga of sta moet je steeds aan mijn zijde staan met mijn “lembing” (speer) in de hand”.
De slaaf was zeer verheugd toen hij het voorstel van zijn radja aanhoorde.
Nu hoefde hij niet meer bang te zijn om vermoord te worden, want de stelregel van Nusalaut is: Als je niet gevangen wordt gezet, wordt je zeker gedood.
Op een dag riep de radja zijn leger bijeen.
Hij zei tegen zijn leger: “Vanaf nu is het verboden om alleen tegen Kapitan Mata Ampat te vechten.
Wij moeten hem gelijk met zijn allen aanvallen en als de kans zich voordoet moeten we hem gevangen nemen”.
Een paar zeiden “Maar hoe moeten we hem gevangen nemen?
Wanneer we hem willen doorklieven komt er vuur uit zijn lichaam en als we hem neer willen steken dan komt er rook uit”.

De pleegzoon van de radja had een beter en eenvoudiger voorstel.
“Eerst moeten we erachter zien te komen waar hij zich schuilhoudt.
Vervolgens moeten wij hem achtervolgen, zijn vluchtweg onthouden en zijn vluchtweg bedekken met daun sagu.
Hij zal tijdens zijn vlucht uitglijden zodra hij over de daun sagu loopt.
Dan moeten wij hem gevangen nemen, maar we mogen hem niet met een gewoon touw vastbinden maar met “tali gamutuh”.
Dit zal ervoor zorgen dat al het kwade uit hem zal verdwijnen”.

Het plan van de pleegzoon werkte perfect.
Kapitan Mata Ampat werd gevangen genomen en de radja werd op de hoogte gesteld.
Op bevel van de radja werd Kapitan Mata Ampat naar Pusat Pulua gebracht.
Daar aangekomen vroeg de radja aan zijn manschappen wie Mata Ampat wilde doden.
De mannen werden bang toen ze het verzoek van de radja hoorden.
Immers, als je hem probeerde te doorklieven kwam er vuur uit zijn lichaam en als je hem probeerde te steken dan kwam er rook uit.
Hoe is het dan mogelijk om hem te doden?

De radja vroeg zijn pleegzoon of hij Mata Ampat wilde doden.
De pleegzoon had geen bezwaar om Mata Ampat te doden.
“Maar hoe wil je hem dan doden”, vroeg de radja?
Toen hij dit hoorde pakte hij zijn speer en stak de speer dwars door de borst in de rug van Mata Ampat en begon er aan te draaien.
Niet lang daarna stierf Mata Ampat. De Radja zei tegen iedereen: “Vanaf vandaag benoem ik mijn pleegzoon tot Kapitan Tikam Putar” (draaisteek) of in bahasa tanah: “Tahapary”.
Vanaf dat moment was het afgelopen met het bloedvergieten, vanaf dat moment zorgde iedereen voor elkaar als broeders en zusters.

Het lichaam van Kapitan Mata Ampat werd door Kapitan Tikam Putar en zijn manschappen naar Akoön gebracht.
Daar werd het begraven tegenover de plek waar de krokodil vastgebonden werd.
Zijn lichaam ligt op het rotsblok Paru Paruno.

Niet lang nadat Mata Ampat begraven werd, begon het te donderen en te flitsen en er kwamen hevige draaiwinden.
Er werd een groot gat in de grond geslagen.
Maar het graf van Mata Ampat lag bovenop een rots ongeveer 25 tot 30 meter van het grote gat vandaan.
Hier zijn wij getuige van het feit dat, hoewel Mata Ampat zeer groot en heldhaftig was, zijn laatste adem toch in handen lag van Kapitan Tikam Putar.
Zijn graf ligt op de karang Tounusa Hatalepu in Nusahulawano, negeri Akoön.
Dit was het verhaal van Kapitan Mata Ampat vanaf het begin tot aan Waihutete, over zijn gevangenneming, zijn dood en hoe hij uiteindelijk zijn graf vond in Akoön.
Toen Mata Ampat afscheid nam van de wereld, was er geen oorlog meer in Nusahulawano, maar heerste er vrede.

Portugese overheersing; dorpen van bergen naar kust
Niet lang daarna kwamen de Portugezen, zij voerden het bewind in die tijd.
De Petor wist dat in elk dorp een Kapitan aan het hoofd stond.
(Een Petor is te vergelijken met een controleur ten tijde van de Nederlandse overheersing)
(webredactie: een Petor is een representant van het Portugese gezag)
De Petor beval dat iedere Kapitan zich moest melden.
Diegenen die zich als eerste gemeld hadden kregen een staf en bewindskleding (koningskleren/scepter).
Zij kregen ook de macht om het bewind te voeren in de desbetreffende kampongs.
Toen de Kapitans zich gemeld hadden, werd bekend gemaakt dat de Kapitans hun volgelingen in de bergen naar beneden moesten halen, om nieuwe nederzettingen te bouwen.
Deze nieuwe vestigingsplaatsen zijn de huidige negorijen of dorpen.

Kapitan Saloho Warlau, doodt iemand uit Mulaa (webredactie; waarschijnlijk is dit een tweede verhaal in het verhaal over de overwinning op Mata Ampat, de radja van Mulaa)
In Abubu kwam Kapitan Leisiwal een man tegen die bezig was een dusun sago aan te leggen, niet ver van de Pusat Pulau.
Toen hij bezig was om een andere dusun aan te leggen werd hij gedood door Kapitan Leisiwal.
De sagobomen op betreffende plek konden eeuwenlang niet groeien.
Het zand was wit, schoon en fijn. Het was nog fijner dan het zand op het strand.
Deze plek wordt door sommigen ook “tanah bun” genoemd.
Anderen beweren dat het witte zand en die dusun als eerste zijn veroverd door Kapitan Leisiwal en zijn nazaten.

Ook in Titawai ging Kapitan Saloho Warlau het oerwoud in.
Ook daar kwam hij iemand tegen die hij doodde.
Niemand wist waar deze persoon vandaan kwam. Waarschijnlijk kwam hij uit Mulaa.
Toen iedereen vanuit de bergen naar beneden was gedaald, kwamen ze erachter dat er tussen Akoön en Abubu nog zeven dorpen lagen.
Deze dorpen werden tuju negeri Mulaa/Sianau genoemd. Niemand wist waar de bewoners van deze tuju negeri naartoe gingen.

De verdeling van het voormalige grondgebied van tuju Mulaa, veroorzaakte een conflict tussen de dorpen Akoön en Abubu.
Na lang onderhandelen besloot het bewind dat Titawai voorbij Akoön een stukje land mocht krijgen, genaamd Lalahano en Ameth mocht voorbij Akoön een stukje land hebben, genaamd Mulaa.
Na dit besluit heerste er weer vrede tussen beide dorpen.
De tuju Negeri Mulaa/Sianau had zeven koningen en twee zusters.
De eerste heette nyai Kumbang de andere nyai Lima.
De namen van de 7 Radja’s uit Mulaa zijn als volgt:
1. Latupael
2. Latunepal
3. Latukialo
4. Lautatunama
5. Lailamese
6. Latuanal
7. Latupale

De verdeling van Nusalaut in twee dorpsbonden onder heerschappij van de radja’s van Titawai en Amet.
Het eiland Nusalaut is opgedeeld in twee stukken, te weten: Ina Haha en Ina Huhu.
Ameth, Nalahia, Sila en Leinitu liggen in Ina Haha.
Akoön, Abubu en Titawai liggen in Ina Huhu.
De grens tussen Ina Haha en Ina Huhu begint vanaf het midden van de haven van Ameth, richting de berg Tounusa en vandaar tussen de grens van Titawai en Leinitu.
Volgens overleveringen ligt midden in de haven van Ameth een rotsblok, pas als je hier in zee duikt, kun je boven op het rotsblok een kruis zien.
Vandaar uit, richting de berg Tounusa, zie je een grote rode boom en als je goed kijkt zie je daar eenzelfde soort kruis als op het rotsblok midden in de haven van Ameth,
dit is de scheidingslijn van Ina Haha en Ina Huhu.

Nusalaut is door onze voorouders ingedeeld, voorheen bestond het uit zes in plaats van zeven dorpen:
1. Negeri Ameth
2. Negeri Nalahia
3. Negeri Leinitu
4. Negeri Titawai
5. Negeri Abubu
6. Negeri Akoön
Maar misschien moest het gewoon uit zeven dorpen bestaan, net als wat in de Bijbel staat dat er in Azië zeven vestigingen zullen zijn die bevolkt zullen worden door zeven protestantse dorpen.
Het dorp Sila of Sisi is er toen bijgekomen.
Dit is het verhaal van Nusahulawano over de verdeling en de indeling ervan.

Het eiland Nusalaut wordt ook wel genoemd:
1. Pulau anyo2 (drijvend eiland)
2. Nusa itu
3. Nusahulawanno (goudland)
4. Nusalaut
5. Pulau Emas (gouden eiland)

Commentaar webredactie:
De cursieve titels van de onderdelen in dit verhaal staan niet in het originele verhaal.
In dit lange verhaal vallen een aantal dingen op.
In de eerste plaats het perspectief van de verteller, dat overduidelijk zeer christelijk is.
Zo gebruikt de verteller meerdere Bijbelse beelden, zoals de haan die kraait, de uitroep van de radja: ”vreest niet” en de opmerking over de Bijbelse oorsprong van het aantal van zeven dorpen.

Verder valt op dat het verhaal eigenlijk bestaat uit meerdere afzonderlijke verhalen.
De verteller kende zelf kennelijk niet de precieze verbanden tussen deze verhalen en de juiste volgorde in de tijd.
Lezen we ook de andere legendes over dezelfde gebeurtenissen, dan kunnen we een steeds duidelijker beeld opbouwen over het ontstaan en de eerste bewoners van Nusalaut en Akoon.

 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu