Rol van Nusalaut - kumpulan-akoon-pat.nl

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Rol van Nusalaut

Akoon vroeger > 8 1817; Pattimura-opstand

De rol van Nusalaut en patih Akoon.
Een van de gangmakers van de Pattimura-opstand was Anthony Rhebok, het eerste hoofd onder Thomas Matulessy.
Hij deelde de lakens uit en dwong de hoofden van de negorijen, tegen wil en dank, aan de opstand deel te nemen.
Onder hen bevond zich ook het hoofd van negorij Akoon, patih Dominggus Thomas Tuwankotta, kortweg patih Akoon.

Toen patih Akoon op 26 juli de Iris, één van de oorlogsvaartuigen, de kust van Nusalaut zag naderen,
kreeg hij toch spijt van zijn deelname aan de opstand.
Met een prauw onder Nederlandse vlag ging hij toen naar de Iris.
Aan boord van de Iris aangekomen deelde hij mede, dat de zeven negorijen van Nusalaut trouw aan het gouvernement waren
en dat een vergadering van de radja's hem naar het schip had gezonden om hulp te vragen tegen de oproerlingen.
Patih Akoon gaf ook verder inlichtingen over Fort Duurstede te Saparua; deze inlichtingen bleken juist te zijn.
Overste Pool van de Iris vertrouwde de patih echter nog niet en hield de patih toch maar voor alle zekerheid in arrest.
De Iris zeilde toen weer terug naar zijn ligplaats.

De volgende avond, 27 juli, kwam de Iris om de hoek van Hatawano, met aan boord de radja van Akoon.
Deze kwam voor vredesonderhandelingen.
Hij verzocht om een schip of een bezetting tot dekking van het eiland tegen aanvallen van Saparua.
Men kon hem echter het gevraagde niet geven, omdat men zelf niet sterk genoeg was om tegen Saparua te vechten.
Een paar dagen later werd er een commissie benoemd om de patih van Akoon nader uit te horen over de toestand op Nusalaut en Fort Duurstede,
zodat men maatregelen kon nemen.

Patih Akoon vertelde opnieuw dat de bevolking van Nusalaut van het begin af aan tegen de opstand was en dat men had besloten om,
zodra de Iris of enig ander oorlogsvaartuig op Nusalaut kwam, de kwaadwilligen over te leveren.
Verder zei de patih, dat Fort Beverwijk niet bewaakt was en dat er maar twee kanonnen waren, waarvan de affuiten stuk waren.
Wat betreft de toestand op Saparua zei de patih, dat Fort Duurstede goed in orde was,
maar dat de kanonnen waren door Matulessy waren vernageld en de deuren met ijzeren beugels waren gesloten.
Verder vertelde hij, dat aan het volk van Saparua wapens waren uitgedeeld en dat het strand met wolfskuilen was opgegraven,
waarin borangs van bamboes en voetangels waren geplaatst.

Aangezien het plan bestond om tegen de hoofdplaats Saparua te gaan ageren,
werd aan overste Pool het bevel gegeven om naar Nusalaut terug te keren en daar te blijven kruisen.
De patih werd naar Ambon teruggebracht.

Op 22 augustus bracht men de patih, met het schip de Anna Maria, terug naar Saparua,
waar hij op 6 september met de Dispatch naar Nusalaut werd teruggestuurd.
Toen het schip bij Akoon aankwam, scheen alles zo vijandig gezind te zijn,
dat het aan wal zetten van de patih niet lukte.
Pas met de komst van schout-bij-nacht Buijskes in oktober, kon de patih weer naar Nusalaut terugkeren.
Omdat zijn huis en andere bezittingen vernield waren, liet Buijskes, op kosten van alle negorijen,
voor de patih een nieuw huis bouwen.
Daarna werd hij benoemd als radja van Nalahia.

Op 6 november zeilde het korvet De Zwaluw uit de Baai van Saparua naar Nusalaut,
samen met 2 gewapende sloepen en twee kruisarumbaais met daarop twee radja's van Ambon.
De volgende dag gingen ze even ten noorden van Fort Beverwijk voor anker.
Op 8 november gingen de sloepen, met daarop de beide radja s,
kruisen om de inwoners bekend te maken met een proclamatie van Buijskes.
Onder bescherming van de witte vlag werd de vermaning om tot gehoorzaamheid terug te keren aan de mensen voorgelezen.
De bevolking antwoordde dat alle negorijhoofden van het eiland, geprest door Thomas Matulessy,
op Saparua waren en dat men zonder de radja's niets kon beginnen.
De sloepen voeren toen langs de zuidkust, om een geschikte landingsplaats te vinden.

De volgende dag gingen de sloepen en de beide kruisarumbaais jacht maken op verschillende kleine vaartuigen,
waarvan men maar één kon overmeesteren.
Tegen zonsondergang zag men een inlander, die met een Hollandse vlag in het water stond te zwaaien.
Hij werd toen aan boord van De Zwaluw gehaald.
De man maakte zich bekend als de schoolmeester van de achter Fort Beverwijk gelegen negorijen Sila en Leinitu.
Hij zei dat hij, uit naam van de radja's, voor vredesonderhandelingen kwam.
Adelborst Velsberg, bevelhebber van één der sloepen, ging toen samen met de beide radja's uit Ambon aan wal.
Zij werden op vriendschappelijke wijze ontvangen.
Op 10 november werd Fort Beverwijk weer in bezit genomen.
In het vervallen fort trof men niets aan, zelfs geen dak of vloer.
Met alle mogelijke ijver werkte men toen aan het opzetten van een dak en een vloer.
In Nusalaut was de rust weer teruggekeerd.



 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu